De sage van de Hondeborg

De Historie

De Hondeborg mogen we beschouwen als een der oudste cultuurmonumenten die de gemeente Borne nog bezit. Oud is ze zeker, want reeds op 24 oktober 1333 wordt het huis THER HONDSBORCH, met voorburcht en enkele boerderijen in de buurtschappen Zenderen en Azelo, genoemd en door hun eigenaren aan de Bisschop van Utrecht in leen opgedragen.  De bezitters waren beslist niet de eerste de beste, want op die bewuste 24 oktober 1333 blijken de eigenaren Berend en Gerard van Sebelinghen te zijn.  Berend was ridder en zijn broer Gerard wordt als knape genoemd. Vooral Berend was een invloedrijk man.  Hij wordt in 1311 genoemd als Schout van Twente en in 1321 als Drost van Diepenheim. Het Kerspel van Borne bezat dus al, vóór dat de machtige heren van het Weleveld hun invloed deden gelden, inwoners die het tot Schout hadden gebracht; in die tijd de hoogste positie in het land van Twente.  Enkele tientallen jaren later horen we niets meer van de Heren van Sebelinghen. Het is mogelijk dat deze familie is uit­gestorven, maar het is evengoed mogelijk dat zij zich de woede van de Bisschop op de hals gehaald hebben en gevlucht zijn.

In 1387 wordt de Hondeborg beleend aan “Everts vrouwe van der Ese”. Deze vrouw van Evert van der Ese was nie­­­mand minder dan Bate of Beatrix van Almelo, en er zijn bepaalde aanwijzingen die doen vermoeden dat zij verwant geweest is aan de Van Sebelinghen. Na 1387 worden diverse eigenaren genoemd, maar in 1610 komt de Hondeborg definitief in bezit van het huis Twickel.

In het archief van dit huis berust nog een Legger der Eigendommen van Adolph Henrich van Raesfelt, geschreven door zijn dochter Adriana Sophia, waarschijnlijk rond 1680.  Daarin wordt vermeld: “Hondeborgh is een heel oude plaetse en door formeele belegering door de Bisschop gewonnen voor twee a driehonderd jaar”. Hier vinden we dus vermeld dat de Hondeborg belegerd is geweest en ingeno­men, iets dat we in de sage ook vermeld zien.

De SAGE

Maar nu de sage, zoals ze een vijftig jaar geleden werd verteld door Hendrikus Kui­per. alias Kuupers Hendrieks, wiens voor­ouders enkele eeuwen lang gewoond had­den op de boerderij Morscate te Azelo, vrij dicht bij de Hondeborg gelegen.

Lang gelegen woonde op de Hondeborg de heer van de Hondeborch, wiens doch­ter op een goede dag verliefd werd op een Hongaarse edelman, die als speelman door Europa trok en op deze manier op de Hondeborg was verzeild geraakt.
Zij huwden in het geheim en vluchtten uit angst voor de Heer van de Hondeborg naar het Bentheimse, en pas toen de vader overleden was keerden zij naar de Honde­borg terug. Deze Heer van de Hondeborg was op een vreemde manier een geweld­dadige dood gestorven. Men vond hem op een morgen met een zwaard in het hart gestoken, aan de voet van de Hondeborg.
Vanaf die tijd verbleven er vrij geregeld groepen Hongaarse zigeuners op de Hon­deborg die, als het te pas kwam, stalen als raven, maar ook de goudsmeedkunst machtig waren en de mooiste gouden sieraden konden maken.

De Hondeborg lag aan de oude weg tus­schen Borne en Delden en de heren van de Hondeborg maakten geregeld eerzame passanten, zoals kooplieden, een beetje lichter en als het zo te pas kwam roofden ze ook in de omgeving het nodige.
Vrij kort nadat de Hongaarse edelman en zijn vrouw weer op de Hondeborg waren gaan wonen, verdween op geheimzinnige wijze de Heer van Saasveld, in de buurt van Zenderen.  De Heer van Saasveld was iemand die zich graag verrijkte door roof. Vooral in de omgeving van Borne perste hij heel wat boeren uit en roofde hun vee.  Hij bezocht ook vaak een waarzegster, die in een hut op het Bekkingveld te Zende­ren woonde.

Bij een van deze bezoeken aan de waar­zegster had hij een overvolle geldbuidel bij zich.  Een paar handlangers van de waarzegster merkten dit en vermoordden de Heer van Saasveld.  Zij begroeven zijn lijk in de wildernis en verkochten zijn paard ver weg in Duitsland.
Hoewel de Hongaarse edelman op de Hondeborg niets met dit voorval te maken had, werd hem de verdwijning van de Heer van Saasveld in de schoenen geschoven.  Het gevolg was een vijand­schap tusschen hem en de heren van Saas­veld, die uiteindelijk ontaardde in een bloedvete.

Er bestond overigens al een zekere wrijving tussen de heren van Saasveld en de Hondeborg, want een van de vroegere heren van de Hondeborg had eens een dochter van het huis Saasveld geschaakt en was er mee naar de Hondeborg ver­dwenen, zodat de Heren van Saasveld het nakijken hadden.

In die tijd was de Bisschop van Utrecht landsheer van Overijssel.  Hij moest nogal eens hardhandig optreden tegen zijn leen­mannen.  Zo werd bijvoorbeeld in ongeveer 1360 het huis van Saterslo (Saasveld) verwoest en toen men op de Hondeborg keer op keer de toen geldende rechten van burgers en boeren schond, besloot de Bisschop ook daar een eind aan te maken. Hij riep zijn Twentse dienst­mannen bij elkaar en diegenen die de Hondeborg moesten belegeren kwamen bij de Tusvelder dienstman bij elkaar.
Een tweede groep kwam in de omgeving van Ootmarsum bijeen om de Huneborg in Volthe te belegeren, waar zich ook zigeuners ophielden.
Bij de belegeraars van de Hondeborg had zich ook de Heer van Saasveld gevoegd, die zo de kans schoon zag om zijn oude vete met de Hondeborg te vereffenen.
Daar leefden toen Reinold en zijn moeder Ida met een groep zigeuners.

Toen Reinold zag dat de Twentse dienst­mannen aanstalten maakten om vanaf het Tusveld de Hondeborg te belegeren, riep hij zijn boeren uit de omtrek bijeen om te helpen met het verstevigen van de ver­schansing en eveneens om te helpen met de verdediging.
Voor de belegeraars liep het niet al te voorspoedig. Het water en de moerassige omgeving speelde hun parten.
Na een belegering van enkele weken kreeg Reinold, door middel van een bode, die via sluipwegen de Hondeborg bereikt had, het bericht dat de Huneborg in Volthe ge­vallen was. Daar hadden zich vreselijke tonelen afgespeeld. Alle mannen, vrouwen en kinderen waren bij de verovering op gruwelijke wijze vermoord.

Reinold zag wel in dat na verloop van tijd de Hondeborg niet te behouden was. De borg was al behoorlijk beschadigd en hij besloot tot een krijgslist. Op een late avond, toen er een zwaar onweer aan de horizon verscheen, stuurde hij er enkele mannen op uit om de beek, waaraan de Hondeborg lag, een eind stroomafwaarts af te dammen.

Detail kadasterkaart, omgeving Hondeborg, 1832 (Gemeente Archief Borne).

De mannen wisten ongezien langs sluip-wegen hun doel te bereiken en damden, in stromende regen, de beek af.  Het water in de beek steeg snel en nog dezelfde nacht moesten de belegeraars hals over kop het beekdal voor het wassende water verlaten, en hoger gelegen delen opzoeken.
Reinold maakte hier dankbaar gebruik van door onmiddellijk met alle mannen, vrouwen en kinderen de Hondeborg te verlaten. Via allerlei sluipwegen die alleen hij kende, wist men via Hertme de Gam­melker beek te bereiken. Hij stuurde toen zijn moeder met enkele oudere mannen en alle vrouwen en kinderen weg, om te proberen ongezien langs Ootmarsum te komen en zo het veilige Bentheimse te bereiken.
Zelf bleef hij met de jongere mannen, feitelijk een uitgelezen groepje vechters­bazen, bij de Gammelker beek achter, damde deze af en verschanste zich met zijn mannen op een eilandje in de beek, wel wetende dat zijn belegeraars hen wel zouden achtervolgen, want vooral de heer van Saasveld kende geen genade.

Al vrij vroeg de volgende morgen ondek­ten de belegeraars dat de Hondeborg verlaten was. Groot was hun woede en vooral de heer van Saasveld was razend en zwoer dat hij alles, wat met de Honde­borg te maken had, over de kling zou ja­gen. Men stuurde een ijlbode naar Volthe en zelf brak men onmiddellijk op om het spoor van de vluchtelingen te volgen.
Toen de ijlbode de Hunenborg te Volthe bereikte, werd ook daar bevel gegeven direct op te breken.  De manschappen werden in enkele groepen verdeeld, die tot taak kregen de omgeving van Ootmarsum af te zoeken naar de vluchtelingen van de Hondeborg.

Ida, de moeder van Reinold, schoot met de vrouwen, kinderen en de oudere mannen die hen vergezelden, lang niet zo vlug op als zij wel wilde.  Het gevolg was dat zij bij Ootmarsum op een groep mannen van de Hunenborg in Volthe stootte, die naar hen zochten.  Nu was Ida een grote, forse vrouw, die voor niets en niemand bang was.  Gezeten op haar schimmel was zij vele keren met haar zoon op rooftocht uit geweest.  Toen ze dan ook haar vijan­den gewaar werd, besloot zij onmiddellijk met het handjevol oudere mannen die bij haar waren, de aanval in te zetten.
Al waren de mannen al wat bejaard, ze waren gehard en getraind onder de heer van de Hondeborg en nog geduchte vechtersbazen. Zij lieten de vrouwen en kinderen in de achterhoede en stormden, met Ida aan het hoofd, op hun paarden op de vijand af, die totaal overdonderd was door deze doldrieste aanval. Het gevecht dat volgde was verschrikkelijk.
Met Ida voorop wendden de mannen keer op keer hun paard en brachten zware ver­liezen aan de vijand toe.

Ondanks diens overmacht begon het er voor Ida en haar mannen naar uit te zien, dat zij de overwinning zouden behalen, maar op het moment dat zij daar al bijna zeker van waren, doemde er van achteren een tweede groep vijanden op, die eveneens van de Huneborg kwamen.  Zon­der pardon vermoordde deze groep eerst de vrouwen en kinderen, die achtergeble­ven waren en viel vervolgens Ida en haar mannen in de rug aan.  Deze vochten als leeuwen, maar de overmacht was nu te groot. Allen sneuvelden en alleen Ida bleef, hoewel gewond, nog in het strijd­perk over. Nog éénmaal wendde Ida haar prachtige schimmel, stormde dwars door de gelederen van haar vijanden, die als bange wezels terugdeinsden en verdween met wapperende mantel, rood gekleurd van het bloed, in de wildernis. Zij wist ongezien Ootmarsum te bereiken en ver­borg zich bij enkele vrienden.

Reinold had zich intussen op het eilandje in de Gammelker beek goed verschanst. Door het afdammen van de beek steeg het water vrij snel en het zou moeilijk zijn om hen van het eilandje te verdrijven. Weldra verschenen de achtervolgers aan de oevers van de beek en probeerden onder aanvoering van de Heer van Saas­veld een plek te vinden waar zij de beek konden oversteken. De beek was echter overal te diep, behalve in de buurt van het eilandje waar Reinold zich verschanst had.  De achtervolgers probeerden dan ook hem te verdrijven, maar leden daarbij zulke zware verliezen, dat zij zich vertwij­feld afvroegen hoe ze Reinold en zijn mannen zouden kunnen overmeesteren.

Na lange beraadslagingen was het over­grote deel van de achtervolgers (overigens zeer tegen de zin van de heer van Saas­veld) van plan om met een omtrekkende beweging Reinold in de rug aan te vallen.  Dit maakte de heer van Saasveld razend en op een gegeven ogenblik stuurde hij zijn paard de beek in, om met Reinold af te rekenen.
Reinold zag kalm en beheerst zijn aarts­vijand naderbij komen en hij wist hem met een houw van zijn zwaard een dode­lijke verwonding toe te brengen.  Voorover in het zadel hangend wist deze nog de oever van de beek te bereiken maar stort­te daar dood van zijn paard.

De verslagenheid bij de achtervolgers was groot en daarvan wist Reinold dankbaar gebruik te maken door met zijn mannen het eilandje te verlaten.  Zij reden op hun snelle paarden in de richting van Oot­marsum in de hoop Reinolds moeder in te halen. In de buurt van Ootmarsum zagen zij tot hun schrik het bloedbad dat daar was aangericht en Reinold begreep dat al­les verloren was.
Hij stuurde de mannen weg met de op­dracht om ieder voor zich een veilig heenkomen te zoeken. Zelf wist hij het Bentheimse te bereiken, waar zijn moeder zich later bij hem voegde. Van de Graaf van Bentheim kregen zij een bezitting in die omgeving en daar leefde Reinold met zijn moeder verder.

De Hondeborg werd met de grond gelijk gemaakt en nooit heeft op die plek weer een burcht of adelijk huis gestaan!

B.J.F. WENNEKINK